operator
zelfstandig naamwoord ˌopəˈratɔrBetekenis
- symbool waarmee een functie 3 wordt aangeduid die een bepaalde bewerking uitvoert op één of meer operanden
- bedieningsvakman voor grote technische installaties in allerlei fabrieken en dergelijke, in het bijzonder in de procesindustrie, bedieningsdeskundige
- een bedrijf dat grote technische installaties beheert
Hoe spreek je operator uit?
/ˌopəˈratɔr/
Operator bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| a | maan |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- symbool waarmee een functie [3] wordt aangeduid die een bepaalde bewerking uitvoert op één of meer operanden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| operatoren | enkelvoud |
| operators | enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bedieningsdeskundige’ voor het eerst aangetroffen in 1961
Woordfamilie van operator
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| operatoren | enkelvoud | operator |
| operators | enkelvoud | operator |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van operator zijn vastgelegd.