brommen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbrɔmə(n)Betekenis
- een laag rommelend geluid voortbrengen
- boos, bestraffend of ontevreden praten
- op een bromfiets ergens heengaan
- op een bromfiets rijden
Hoe spreek je brommen uit?
/ˈbrɔmən/
Brommen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op een bromfiets ergens heen gaan ergative
- in de gevangenis zitten
Vervoeging van brommen
brommenhele werkwoord — bromdeverleden tijd enkelvoud — bromdenverleden tijd meervoud — gebromdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brom | bromde |
| jij | bromt | bromde |
| hij, zij, het | bromt | bromde |
| wij | brommen | bromden |
| jullie | brommen | bromden |
| zij | brommen | bromden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brom | gebiedende wijs |
| bromde | verleden tijd |
| bromme | aanvoegende wijs |
| brommend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebromd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebromd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebromd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebromd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebromd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebromd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebromd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebromd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebromd | verleden tijd, deelwoord |
| gebromd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebromd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebromd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebromd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebromd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebromd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebromd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebromd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebromd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebromd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebromd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebromd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebromd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebromd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebromd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebromd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebromd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te brommen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebromd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen brommen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal brommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal brommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal brommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebromd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebromd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebromd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou brommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou brommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou brommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden brommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden brommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden brommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt brommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen brommen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen brommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen brommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen brommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebromd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebromd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebromd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult brommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebromd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord brom
Herkomst
In de betekenis van ‘laag en dof geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van brommen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bromde | verleden tijd | brommen |
| bromden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | brommen |
| bromme | aanvoegende wijs | brommen |
| bromt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | brommen |
| gebromd | voltooid deelwoord | brommen |
| gebromde | woordvorm | brommen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brommen zijn vastgelegd.