grommen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣrɔmə(n)Betekenis
- een dreigend geluid voortbrengen
- nijdig op brommende toon uiten
Hoe spreek je grommen uit?
/ˈxrɔmən/
Grommen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van grommen
grommenhele werkwoord — gromdeverleden tijd enkelvoud — gromdenverleden tijd meervoud — gegromdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grom | gromde |
| jij | gromt | gromde |
| hij, zij, het | gromt | gromde |
| wij | grommen | gromden |
| jullie | grommen | gromden |
| zij | grommen | gromden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegromd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegromd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegromd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegromd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegromd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegromd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegromd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegromd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegromd | verleden tijd, deelwoord |
| gegromd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegromd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grom | gebiedende wijs |
| gromde | verleden tijd |
| gromme | aanvoegende wijs |
| grommend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegromd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegromd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegromd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegromd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegromd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegromd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegromd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegromd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegromd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegromd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegromd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegromd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegromd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegromd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegromd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grommen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegromd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grommen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegromd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegromd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegromd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegromd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegromd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegromd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegromd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grommen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegromd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord grom
Herkomst
In de betekenis van ‘dof brommend geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1440
Woordfamilie van grommen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegromd | voltooid deelwoord | grommen |
| gegromde | woordvorm | grommen |
| gromde | verleden tijd | grommen |
| gromden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grommen |
| gromme | aanvoegende wijs | grommen |
| gromt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grommen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grommen zijn vastgelegd.