razen
werkwoordBetekenis
- heel snel rijden
- voortbewegen of overtrekken van een natuurverschijnsel dat gepaard gaat met veel geweld en schade veroorzaakt
Vervoeging van razen
razenhele werkwoord — raasdeverleden tijd enkelvoud — raasdenverleden tijd meervoud — geraasdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | raas | raasde |
| jij | raast | raasde |
| hij, zij, het | raast | raasde |
| wij | razen | raasden |
| jullie | razen | raasden |
| zij | razen | raasden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geraasd | verleden tijd, deelwoord |
| geraasd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geraasd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geraasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geraasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geraasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geraasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geraasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| raas | gebiedende wijs |
| raasde | verleden tijd |
| raze | aanvoegende wijs |
| razend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geraasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te razen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen razen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal razen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal razen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal razen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou razen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou razen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou razen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden razen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden razen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden razen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt razen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen razen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen razen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen razen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen razen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult razen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘woeden’ voor het eerst aangetroffen in 1250
Woordfamilie van razen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geraasd | voltooid deelwoord | razen |
| raasde | verleden tijd | razen |
| raasden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | razen |
| raast | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | razen |
| raze | aanvoegende wijs | razen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van razen zijn vastgelegd.