mompelen
werkwoordBetekenis
- geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
Vervoeging van mompelen
mompelenhele werkwoord — mompeldeverleden tijd enkelvoud — mompeldenverleden tijd meervoud — gemompeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mompel | mompelde |
| jij | mompelt | mompelde |
| hij, zij, het | mompelt | mompelde |
| wij | mompelen | mompelden |
| jullie | mompelen | mompelden |
| zij | mompelen | mompelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemompeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemompeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemompeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemompeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemompeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemompeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemompeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemompeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemompeld | verleden tijd, deelwoord |
| gemompeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemompeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemompeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemompeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemompeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemompeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemompeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemompeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemompeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemompeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemompeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemompeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemompeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemompeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemompeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemompeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemompeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mompel | gebiedende wijs |
| mompelde | verleden tijd |
| mompele | aanvoegende wijs |
| mompelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemompeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mompelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mompelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemompeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemompeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemompeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemompeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemompeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemompeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemompeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemompeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemompeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemompeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemompeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemompeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemompeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mompelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemompeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mompelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘binnensmonds spreken’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van mompelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemompeld | voltooid deelwoord | mompelen |
| gemompelde | woordvorm | mompelen |
| mompel | gebiedende wijs | mompelen |
| mompelde | verleden tijd | mompelen |
| mompelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mompelen |
| mompele | aanvoegende wijs | mompelen |
| mompelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mompelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mompelen zijn vastgelegd.