brom
zelfstandig naamwoord, werkwoord brɔmBetekenis
- broom
- broom, bromium; een scheikundig element, een halogeen en niet-metaal met het atoomnummer 35
Hoe spreek je brom uit?
/brɔm/
Brom bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een laagfrequent (50-100 Hz) geluid (meestal ongewenst)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brommen | meervoud |
| brommetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brommetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brommen
- gebiedende wijs van brommen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brommen
Vervoeging van brom
bromhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘dronken’ voor het eerst aangetroffen in 1898
Woordfamilie van brom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brommetje | verkleinwoord | brom |
| brommetjes | verkleinwoord meervoud | brom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brom zijn vastgelegd.