ruisen
werkwoordBetekenis
- een zacht geluid maken (waarvan alle frequenties in gelijke mate voorkomen)
Vervoeging van ruisen
ruisenhele werkwoord — ruisteverleden tijd enkelvoud — ruistenverleden tijd meervoud — geruistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ruis | ruiste |
| jij | ruist | ruiste |
| hij, zij, het | ruist | ruiste |
| wij | ruisen | ruisten |
| jullie | ruisen | ruisten |
| zij | ruisen | ruisten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geruist | verleden tijd, deelwoord |
| geruist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geruist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geruist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geruist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geruist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geruist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geruist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geruist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geruist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geruist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geruist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ruis | gebiedende wijs |
| ruise | aanvoegende wijs |
| ruisend | onvoltooid, deelwoord |
| ruiste | verleden tijd |
| te hebben geruist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ruisen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geruist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geruist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geruist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geruist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geruist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geruist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geruist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ruisen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘geluid van een stroom maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van ruisen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geruist | voltooid deelwoord | ruisen |
| ruise | aanvoegende wijs | ruisen |
| ruist | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ruisen |
| ruiste | verleden tijd | ruisen |
| ruisten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ruisen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruisen zijn vastgelegd.