puffen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpʏfə(n)Betekenis
- bij herhaling een kleine hoeveelheid gas uitstoten
- (bij mensen) lucht uitblazen wegens benauwdheid
- (bij mensen) stotend ademhalen tijdens het bevallen van een kind of als onderdeel van zwangerschapsgymnastiek
- (bij mensen) rook uitblazen bij het roken van tabak
- (bij mensen) een inhalator gebruiken
- (bij voertuigen en apparaten met motoren en stoommachines) met een regelmatig geluid uitlaatgassen uitstoten
- zich niks aantrekken van, trotseren
- lucht uitblazen van benauwdheid
Hoe spreek je puffen uit?
/ˈpʏfən/
Puffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ʏ | put |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van puffen
puffenhele werkwoord — pufteverleden tijd enkelvoud — puftenverleden tijd meervoud — gepuftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | puf | pufte |
| jij | puft | pufte |
| hij, zij, het | puft | pufte |
| wij | puffen | puften |
| jullie | puffen | puften |
| zij | puffen | puften |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepuft | verleden tijd, deelwoord |
| gepuft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepuft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| puf | gebiedende wijs |
| puffe | aanvoegende wijs |
| puffend | onvoltooid, deelwoord |
| pufte | verleden tijd |
| te hebben gepuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te puffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen puffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal puffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal puffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal puffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou puffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou puffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou puffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden puffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden puffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden puffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt puffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen puffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen puffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen puffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen puffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult puffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord puf
Herkomst
In de betekenis van ‘blazen’ voor het eerst aangetroffen in 1481
Woordfamilie van puffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepuft | voltooid deelwoord | puffen |
| gepufte | woordvorm | puffen |
| puffe | aanvoegende wijs | puffen |
| puffend | onvoltooid deelwoord | puffen |
| puffende | woordvorm | puffen |
| puft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | puffen |
| pufte | verleden tijd | puffen |
| puften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | puffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puffen zijn vastgelegd.