zwetsen
werkwoordBetekenis
- zwammen, kletsen
- luidruchtig opscheppen; pochen
Vervoeging van zwetsen
zwetsenhele werkwoord — zwetsteverleden tijd enkelvoud — zwetstenverleden tijd meervoud — gezwetstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwets | zwetste |
| jij | zwetst | zwetste |
| hij, zij, het | zwetst | zwetste |
| wij | zwetsen | zwetsten |
| jullie | zwetsen | zwetsten |
| zij | zwetsen | zwetsten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwetst | verleden tijd, deelwoord |
| gezwetst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwetst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwetst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwetst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwetst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwetst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwetst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwetst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwetst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwetst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwetst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwetst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwetst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwetst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwetst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwetst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwetst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwetst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwetsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwetsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwetst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwetst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwetst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwetst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwetst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwetst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwetst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwetst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwetst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwetst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwetst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwetst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwetst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwetsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwetst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwetsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwets | gebiedende wijs |
| zwetse | aanvoegende wijs |
| zwetsend | onvoltooid, deelwoord |
| zwetste | verleden tijd |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘onbedachtzaam spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van zwetsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwetst | voltooid deelwoord | zwetsen |
| zwets | gebiedende wijs | zwetsen |
| zwetse | aanvoegende wijs | zwetsen |
| zwetsend | onvoltooid deelwoord | zwetsen |
| zwetsende | woordvorm | zwetsen |
| zwetst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwetsen |
| zwetste | verleden tijd | zwetsen |
| zwetsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwetsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwetsen zijn vastgelegd.