baas
zelfstandig naamwoord, werkwoord /baːs/Betekenis
- overste, leider, chef
- eigenaar van een dier
- iets of iemand die de macht heeft om zijn wil af te dwingen
- iemand die alles onder controle heeft
Hoe spreek je baas uit?
/bas/
Baas bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die leiding geeft aan anderen informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| baasjes | verkleinwoord, meervoud |
| bazen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bazen
- gebiedende wijs van bazen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bazen
Vervoeging van baas
baashele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘meerdere, hoofd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1280
Woordfamilie van baas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baasje | verkleinwoord | baas |
| baasjes | verkleinwoord meervoud | baas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baas zijn vastgelegd.