pindakaas
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈpɪndaˌkasBetekenis
- een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
- verarmd (van personen of families)
Hoe spreek je pindakaas uit?
/ˈpɪndaˌkas/
Pindakaas bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| a | maan |
| k | kat |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pindakazen | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- verarmd obsolete
Herkomst
In de betekenis van ‘broodsmeersel van fijngemalen olienoten’ voor het eerst aangetroffen in 1921
Woordfamilie van pindakaas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pindakazen | meervoud | pindakaas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pindakaas zijn vastgelegd.