manager
zelfstandig naamwoord ˈmɛnədʒərBetekenis
- persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een grotere organisatie
- iemand die voor artiesten, beroepssportlui enz. zakelijke belangen behartigt, impressario
- bedrijfsleider, zaakvoerder
- bedrijfsleider, zaakvoerder,
Hoe spreek je manager uit?
/ˈmɛnədʒər/
Manager bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ə | de |
| d | dak |
| ʒ | journaal |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| managers | meervoud |
| managertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| managertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bestuurder van een onderneming’ voor het eerst aangetroffen in 1847 . Het kan ook (mede) zijn afgeleid van het eveneens uit het Engels afkomstige werkwoord managen, met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van manager
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| managers | meervoud | manager |
| managertje | verkleinwoord | manager |
| managertjes | verkleinwoord meervoud | manager |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van manager zijn vastgelegd.