daas
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord dasBetekenis
- steekvlieg
- onwijs, versuft, gedesoriënteerd
Hoe spreek je daas uit?
/das/
Daas bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| a | maan |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Tabanidae steekvlieg uit een familie van bloedzuigende insecten die behoren tot de orde tweevleugeligen (Diptera)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| daasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| daasjes | verkleinwoord, meervoud |
| dazen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dazen
- gebiedende wijs van dazen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dazen
Vervoeging van daas
daashele werkwoord
Herkomst
(zelfstandig naamwoord) Bekend sinds 1240; van Middelnederlands dauese. Verdere etymologie onzeker. Mogelijk van Protogermaans *dawas-, Indo-Europees *dhowos-. Er is echter ook geopperd dat het om een afleiding van het adjectief (zie hieronder) zou gaan. Er zijn geen bekende cognaten buiten het Nederlands en enkele Rijnlandse dialecten.
Woordfamilie van daas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| daasje | verkleinwoord | daas |
| daasjes | verkleinwoord meervoud | daas |
| daaste | woordvorm | daas |
| dazer | woordvorm | daas |
| dazere | woordvorm | daas |
| dazers | woordvorm | daas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van daas zijn vastgelegd.