haas
zelfstandig naamwoord hasBetekenis
- een tot de haasachtigen behorend zoogdier, met lange achterpoten, een gespleten lip en lange oren
- (Nederland, België)
- een malse magere spier onder de lenden van slachtdieren
- gangmaker, tempomaker
Hoe spreek je haas uit?
/has/
Haas bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor dier uit het geslacht Lepus, met lange achterpoten, een gespleten lip en lange oren
- deelnemer die in het eerste deel van een race bewust een hogere snelheid aanhoudt dan hij kan volhouden, zodat het tempo van de race gunstiger is voor een of meer betere deelnemers figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haasjes | verkleinwoord, meervoud |
| hazen | meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands haas / hase van Oudnederlands haso, in de betekenis van ‘haasachtige’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van haas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haasjes | verkleinwoord meervoud | haas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haas zijn vastgelegd.