verbazen
werkwoordBetekenis
- door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
- zich ~ over door iets onverwachts gevoelsmatig getroffen worden
Vervoeging van verbazen
verbazenhele werkwoord — verbaasdeverleden tijd enkelvoud — verbaasdenverleden tijd meervoud — verbaasdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbaas | verbaasde |
| jij | verbaast | verbaasde |
| hij, zij, het | verbaast | verbaasde |
| wij | verbazen | verbaasden |
| jullie | verbazen | verbaasden |
| zij | verbazen | verbaasden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbaasd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbaasd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbaasd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbaasd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbaasd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbaasd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbaasd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbaasd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbaasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbaasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbaasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbaasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbaasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbaasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbaas | gebiedende wijs |
| verbaas me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbaas u/je , verbaast je | gebiedende wijs |
| verbaasd | verleden tijd, deelwoord |
| verbaasd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbaasd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbaasd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbaasd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbaasd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbaasd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbaasd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbaasd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbaasd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbaasd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbaasde | verleden tijd |
| verbaasde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbaasde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbaasde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbaasde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbaasde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbaasde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbaasde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbaasden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbaasden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbaasden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbaast je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbaast u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbaast u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbaast zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbaast zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbaast zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbaze | aanvoegende wijs |
| verbaze zich | aanvoegende wijs |
| verbazen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbazen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbazen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbazend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verbaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbaasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbaasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbaasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbaasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verbazen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verbaasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbaasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbaasd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verbazen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verbazen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verbaasd hebben | verleden tijd |
| zich verbazend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbaasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbaasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbaasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verbaasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbaasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbaasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verbaasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verbazen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verbazen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verbaasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbaasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘verwonderen’ voor het eerst aangetroffen in 1658
Woordfamilie van verbazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbaas | gebiedende wijs | verbazen |
| verbaasden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbazen |
| verbaast | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verbazen |
| verbaze | aanvoegende wijs | verbazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbazen zijn vastgelegd.