architectuur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de bouwstijl van een gebouw, bouwstijl
- de kunst en de leer van het ontwerpen en uitvoeren van bouwwerken, bouwkunst
- conceptuele structuur en het functionele gedrag van computersystemen, systeemprogramma's en andere systemen of de beschrijving daarvan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| architecturen | meervoud |
| architectuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| architectuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
uit het Latijn met het achtervoegsel -tura
Woordfamilie van architectuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| architecturen | meervoud | architectuur |
| architectuurtje | verkleinwoord | architectuur |
| architectuurtjes | verkleinwoord meervoud | architectuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van architectuur zijn vastgelegd.