aanloop
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈanlopBetekenis
- het op gang komen
- het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
- een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
- een inleiding
- bezoek
Hoe spreek je aanloop uit?
/ˈanlop/
Aanloop bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanloopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanloopjes | verkleinwoord, meervoud |
| aanlopen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanlopen
Vervoeging van aanloop
aanloophele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van aanlopen
Woordfamilie van aanloop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanloopje | verkleinwoord | aanloop |
| aanloopjes | verkleinwoord meervoud | aanloop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanloop zijn vastgelegd.