starten
werkwoord ˈstɑrtə(n)Betekenis
- iets op gang brengen
- ergens een begin mee maken
Hoe spreek je starten uit?
/ˈstɑrtən/
Starten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van starten
startenhele werkwoord — startteverleden tijd enkelvoud — starttenverleden tijd meervoud — gestartvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | start | startte |
| jij | start | startte |
| hij, zij, het | start | startte |
| wij | starten | startten |
| jullie | starten | startten |
| zij | starten | startten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestart | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestart | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestart | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestart | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestart worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestart zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestart worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestart zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestart | verleden tijd, deelwoord |
| gestart te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestart zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| start | gebiedende wijs |
| starte | aanvoegende wijs |
| startend | onvoltooid, deelwoord |
| startte | verleden tijd |
| te hebben gestart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te starten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen starten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal starten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal starten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal starten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou starten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou starten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou starten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden starten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden starten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden starten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt starten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen starten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen starten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen starten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen starten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult starten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Van Engels start ww , in de betekenis van ‘beginnen’ voor het eerst aangetroffen in 1893
Woordfamilie van starten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestart | voltooid deelwoord | starten |
| gestarte | woordvorm | starten |
| starte | aanvoegende wijs | starten |
| startend | onvoltooid deelwoord | starten |
| startende | woordvorm | starten |
| startte | verleden tijd | starten |
| startten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | starten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van starten zijn vastgelegd.