spurt
zelfstandig naamwoord, werkwoord spʏrtBetekenis
- snelle vooruitgang door een extra inspanning gedurende een korte tijd
- sterke tempoverhoging gedurende een korte tijd om in een race andere deelnemers af te schudden
- (van een vloeistof) ineens in een grote hoeveelheid naar buiten stromen, gulpen, spuiten
- (van een vloeistof) ineens in een grote hoeveelheid naar buiten laten stromen, spuiten
- gedurende een korte tijd heel snel vooruit gaan
- grote hoeveelheid vloeistof die opeens naar buiten stroomt, guts, straal
- inspanning om in een korte tijd snel vooruit te gaan, sprint
Hoe spreek je spurt uit?
/spʏrt/
Spurt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spurten | meervoud |
| spurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spurtjes | verkleinwoord, meervoud |
| spurts | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van spurten
- gebiedende wijs van spurten
Vervoeging van spurt
spurthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘sprint’ voor het eerst aangetroffen in 1886
Woordfamilie van spurt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spurtje | verkleinwoord | spurt |
| spurtjes | verkleinwoord meervoud | spurt |
| spurts | meervoud | spurt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spurt zijn vastgelegd.