aanlopen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈanlopə(n)Betekenis
- duren
- in botsing komen met een staand voorwerp
- komen ~: ongewild ergens arriveren
- van een motor e.d.: enigszins verkeerd lopen waardoor grote wrijving of blokkering veroorzaakt wordt
- rood/blauw ~ een bepaalde kleur krijgen van opwinding of koude
- ~ bij terloops bezoeken
- varend bezoeken
Hoe spreek je aanlopen uit?
/ˈanlopən/
Aanlopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iets lopend bezoeken
Vervoeging van aanlopen
aanlopenhele werkwoord — liep aanverleden tijd enkelvoud — liepen aanverleden tijd meervoud — aangelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop aan | liep aan |
| jij | loopt aan | liep aan |
| hij, zij, het | loopt aan | liep aan |
| wij | lopen aan | liepen aan |
| jullie | lopen aan | liepen aan |
| zij | lopen aan | liepen aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| aangelopen | verleden tijd, deelwoord |
| aangelopen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangelopen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangelopen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangelopen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangelopen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangelopen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangelopen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangelopen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanliep | bijzin, verleden tijd |
| aanliepen | bijzin, verleden tijd |
| aanloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanlopend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep aan | verleden tijd |
| loop aan | gebiedende wijs |
| te hebben aangelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanlopen aan zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanloop
Herkomst
samenstelling van aan vz en lopen ww
Woordfamilie van aanlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangelopen | voltooid deelwoord | aanlopen |
| aanliep | subordinate-clause, verleden tijd | aanlopen |
| aanliepen | subordinate-clause, verleden tijd | aanlopen |
| aanloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanlopen |
| aanlope | with-subordinate-clause | aanlopen |
| aanlopend | onvoltooid deelwoord | aanlopen |
| aanlopende | woordvorm | aanlopen |
| liep aan | verleden tijd | aanlopen |
| liepen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanlopen |
| liept aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanlopen |
| loop aan | gebiedende wijs | aanlopen |
| loopt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanlopen |
| lope aan | woordvorm | aanlopen |
| lopen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanlopen zijn vastgelegd.