proloog
zelfstandig naamwoordBetekenis
- inleidende rede van een tekst, voorwoord.
- bij grote meerdaagse wielerwedstrijden een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
- de inleiding tot een theaterstuk, opera, musical etc.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prologen | meervoud |
| proloogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| proloogjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorrede’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van proloog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prologen | meervoud | proloog |
| proloogje | verkleinwoord | proloog |
| proloogjes | verkleinwoord meervoud | proloog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van proloog zijn vastgelegd.