afzet
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɑfsɛtBetekenis
- het volume product dat aan consumenten verkocht wordt
- de kracht waarmee of het moment waarop men zich tegen iets afzet
Hoe spreek je afzet uit?
/ˈɑfsɛt/
Afzet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de hoeveelheid verkochte producten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afzetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afzetjes | verkleinwoord, meervoud |
| afzetten | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afzetten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afzetten
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afzetten
Vervoeging van afzet
afzethele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘het verkopen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van afzet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afzetje | verkleinwoord | afzet |
| afzetjes | verkleinwoord meervoud | afzet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzet zijn vastgelegd.