terras
zelfstandig naamwoordBetekenis
- (in de landbouw) een horizontaal gelegen vlakte, enerzijds begrensd door een duidelijk aflopend terrein en anderzijds door een duidelijk oplopend terrein
- (in de horeca), een plek van een horecagelegenheid waar klanten buiten kunnen zitten
- een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
- een plat dak waar men kan zitten, dakterras
- (in de geologie) een vlak deel van een berg
zelfstandig naamwoord — neuter
- een horizontaal gelegen vlakte, enerzijds begrensd door een duidelijk aflopend terrein en anderzijds door een duidelijk oplopend terrein
- , een plek van een horecagelegenheid waar klanten buiten kunnen zitten
- een vlak deel van een berg
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| terrasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| terrasjes | verkleinwoord, meervoud |
| terrassen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vlak zitje, horizontaal stuk grond’ voor het eerst aangetroffen in 1691
Woordfamilie van terras
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| terrasje | verkleinwoord | terras |
| terrasjes | verkleinwoord meervoud | terras |
| terrassen | meervoud | terras |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terras zijn vastgelegd.