zadel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈzadəlBetekenis
- zitplaats op de rug van een (rij)dier
- zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
- deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
- bergpas
- bevestiging voor kabels en leidingen
- lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)
Hoe spreek je zadel uit?
/ˈzadəl/
Zadel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| a | maan |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zadels | meervoud |
| zadeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zadeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
- gebiedende wijs van zadelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
Vervoeging van zadel
zadelhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands sadel, in de betekenis van ‘zitting’ aangetroffen vanaf 1270; in Oudnederlands als sadal aangetroffen als deel van een plaatsnaam, mogelijk van Oudslavisch sedlo
Woordfamilie van zadel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zadels | meervoud | zadel |
| zadeltje | verkleinwoord | zadel |
| zadeltjes | verkleinwoord meervoud | zadel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zadel zijn vastgelegd.