zegenen
werkwoord ˈzeɣənə(n)Betekenis
- de zegen geven
Hoe spreek je zegenen uit?
/ˈzexənən/
Zegenen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de zegen geven; goedkeuring geven transitive
Vervoeging van zegenen
zegenenhele werkwoord — zegendeverleden tijd enkelvoud — zegendenverleden tijd meervoud — gezegendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zegen | zegende |
| jij | zegent | zegende |
| hij, zij, het | zegent | zegende |
| wij | zegenen | zegenden |
| jullie | zegenen | zegenden |
| zij | zegenen | zegenden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezegend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezegend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezegend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezegend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezegend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezegend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezegend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezegend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezegend | verleden tijd, deelwoord |
| gezegend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezegend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezegend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezegend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezegend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezegend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezegend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezegend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezegend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezegend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezegend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezegend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezegend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezegend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezegend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezegend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zegenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zegenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezegend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezegend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezegend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezegend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezegend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezegend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezegend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezegend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezegend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezegend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezegend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezegend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezegend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezegend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezegend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezegend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezegend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezegend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezegend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezegend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezegend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezegend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezegend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zegen | gebiedende wijs |
| zegende | verleden tijd |
| zegene | aanvoegende wijs |
| zegenend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezegend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezegend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezegend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezegend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezegend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezegend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezegend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezegend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezegend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezegend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezegend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezegend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezegend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezegend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezegend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezegend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zegenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezegend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezegend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezegend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zegenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zegen met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van zegenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zegende | verleden tijd | zegenen |
| zegenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zegenen |
| zegene | aanvoegende wijs | zegenen |
| zegent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zegenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zegenen zijn vastgelegd.