zeem
zelfstandig naamwoord, werkwoord zemBetekenis
- een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven.
- zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid.
- (West-Vlaams) honing
- stroop
Hoe spreek je zeem uit?
/zem/
Zeem bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — neuter
- en een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven. masculine, neuter
- honing
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeempje | verkleinwoord |
| zeempjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| zemen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
- gebiedende wijs van zemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
Vervoeging van zeem
zeemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘honing’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zeem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeempje | verkleinwoord | zeem |
| zeempjes | verkleinwoord | zeem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeem zijn vastgelegd.