heem
zelfstandig naamwoord /hem/Betekenis
- woonplaats, geboortegrond
- besloten erf
- (in België) eigen ruimte van een jeugdorganisatie, honk
- (alleen als verkleinwoord) huiskrekel, zie heempje
- complexe verbinding met een centraal ijzerion en een porfyrinemolecuul als ligand, bijvoorbeeld de kleurstof van hemoglobine
Hoe spreek je heem uit?
/hem/
Heem bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — neuter
- eigen ruimte van een jeugdorganisatie, honk
- huiskrekel, zie heempje
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heempjes | verkleinwoord, meervoud |
| hemen | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haem | |
| hemen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘woonplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 709
Woordfamilie van heem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heempje | verkleinwoord | heem |
| heempjes | verkleinwoord meervoud | heem |
| hemen | meervoud | heem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heem zijn vastgelegd.