zemen
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˈzemə(n)Betekenis
- het droogwrijven van een pas gewassen glazen oppervlak met een stuk zeemleer
- van zeemleer vervaardigd
Hoe spreek je zemen uit?
/ˈzemən/
Zemen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zemen
zemenhele werkwoord — zeemdeverleden tijd enkelvoud — zeemdenverleden tijd meervoud — gezeemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeem | zeemde |
| jij | zeemt | zeemde |
| hij, zij, het | zeemt | zeemde |
| wij | zemen | zeemden |
| jullie | zemen | zeemden |
| zij | zemen | zeemden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezeemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezeemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezeemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezeemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezeemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezeemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezeemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezeemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezeemd | verleden tijd, deelwoord |
| gezeemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezeemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezeemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezeemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezeemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezeemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezeemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezeemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezeemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezeemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezeemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezeemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezeemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezeemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezeemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeem | gebiedende wijs |
| zeemde | verleden tijd |
| zeme | aanvoegende wijs |
| zemend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezeemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezeemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezeemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezeemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezeemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezeemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezeemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezeemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezeemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zeem
Herkomst
Afgeleid van zeem met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van zemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezeemd | voltooid deelwoord | zemen |
| gezeemde | woordvorm | zemen |
| zeemde | verleden tijd | zemen |
| zeemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zemen |
| zeemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zemen |
| zeme | aanvoegende wijs | zemen |
| zemend | onvoltooid deelwoord | zemen |
| zemende | woordvorm | zemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zemen zijn vastgelegd.