verordenen
werkwoordBetekenis
- een bepaalde regeling opleggen
Vervoeging van verordenen
verordenenhele werkwoord — verordendeverleden tijd enkelvoud — verordendenverleden tijd meervoud — verordendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verorden | verordende |
| jij | verordent | verordende |
| hij, zij, het | verordent | verordende |
| wij | verordenen | verordenden |
| jullie | verordenen | verordenden |
| zij | verordenen | verordenden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verordend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verordend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verordend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verordend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verordend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verordend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verordend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verordend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verordend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verordend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verordend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verordend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verordend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verordend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verordend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verordend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verordend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verordend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verordend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verordend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verordend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verordend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verordend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verordend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verordenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verordenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verorden | gebiedende wijs |
| verordend | verleden tijd, deelwoord |
| verordend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verordend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verordende | verleden tijd |
| verordene | aanvoegende wijs |
| verordenend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verordend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verordend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verordend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verordend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verordend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verordend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verordend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verordend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verordend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verordend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verordend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verordend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verordend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verordenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verordend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verordenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van ordenen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verordenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verorden | gebiedende wijs | verordenen |
| verordend | voltooid deelwoord | verordenen |
| verordende | verleden tijd | verordenen |
| verordenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verordenen |
| verordene | aanvoegende wijs | verordenen |
| verordenend | onvoltooid deelwoord | verordenen |
| verordenende | woordvorm | verordenen |
| verordent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verordenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verordenen zijn vastgelegd.