verhippen
werkwoord vərˈhɪpə(n)Betekenis
- iets niet willen doen
- hip, modern en populair worden
Hoe spreek je verhippen uit?
/vərˈhɪpən/
Verhippen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| h | hoed |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- modern en populair worden ergative
- modieus maken, aantrekkelijk maken voor een jong of hedendaags publiek transitive
- weggaan omdat je aanwezigheid ongewenst is ergative, informal
- met kleine sprongetjes bewegen unergative
Vervoeging van verhippen
verhippenhele werkwoord — verhipteverleden tijd enkelvoud — verhiptenverleden tijd meervoud — verhiptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhip | verhipte |
| jij | verhipt | verhipte |
| hij, zij, het | verhipt | verhipte |
| wij | verhippen | verhipten |
| jullie | verhippen | verhipten |
| zij | verhippen | verhipten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhip | gebiedende wijs |
| verhippe | aanvoegende wijs |
| verhippend | onvoltooid, deelwoord |
| verhipt | verleden tijd, deelwoord |
| verhipt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhipt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhipte | verleden tijd |
| zal verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verhipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verhipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verhipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verhipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verhippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verhipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verhippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verhipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
[1] afgeleid van hip bn met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verhippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhip | gebiedende wijs | verhippen |
| verhippe | aanvoegende wijs | verhippen |
| verhippend | onvoltooid deelwoord | verhippen |
| verhippende | woordvorm | verhippen |
| verhipten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhippen zijn vastgelegd.