lippen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlɪpə(n)Betekenis
- het intoneren van een blaasinstrument door gebruik van de embouchure in plaats van de vingerzetting, zoals dat nodig was bij sommige historische instrumenten zoals het serpent
- geluidloos met de lippen een woord nadoen
- synchroon met een geluidsopname de lippen bewegen zoals dat in films of video's gedaan wordt
- op eigen risico makelaardij bedrijven
- misbruik maken van iemands hachelijke positie om een te gunstige prijs te bedingen
- een lipvormig aanhangsel uitsnijden van een, meestal metalen, plaat
- bij het golfspel het putje met de bal net raken, waarbij de bal er weer uitspringt en zijn weg vervolgt
Hoe spreek je lippen uit?
/ˈlɪpən/
Lippen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van lippen
lippenhele werkwoord — lipteverleden tijd enkelvoud — liptenverleden tijd meervoud — geliptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lip | lipte |
| jij | lipt | lipte |
| hij, zij, het | lipt | lipte |
| wij | lippen | lipten |
| jullie | lippen | lipten |
| zij | lippen | lipten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelipt | verleden tijd, deelwoord |
| gelipt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelipt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lip | gebiedende wijs |
| lippe | aanvoegende wijs |
| lippend | onvoltooid, deelwoord |
| lipte | verleden tijd |
| te hebben gelipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord lip
Woordfamilie van lippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelipt | voltooid deelwoord | lippen |
| gelipte | woordvorm | lippen |
| lippe | aanvoegende wijs | lippen |
| lippend | onvoltooid deelwoord | lippen |
| lippende | woordvorm | lippen |
| lipt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lippen |
| lipte | verleden tijd | lippen |
| lipten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lippen zijn vastgelegd.