rippen
werkwoord ˈrɪpə(n)Betekenis
- met geweld van iets of iemand anders afrukken, aftrekken, afscheuren, afsnijden, afnemen
- kopiëren van cd naar computer of andere gegevensdrager
Hoe spreek je rippen uit?
/ˈrɪpən/
Rippen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van rippen
rippenhele werkwoord — ripteverleden tijd enkelvoud — riptenverleden tijd meervoud — geriptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rip | ripte |
| jij | ript | ripte |
| hij, zij, het | ript | ripte |
| wij | rippen | ripten |
| jullie | rippen | ripten |
| zij | rippen | ripten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geript | verleden tijd, deelwoord |
| geript te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geript zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geript | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geript | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geript | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geript | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geript | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geript | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geript | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geript | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geript | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geript | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geript | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geript | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geript | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geript | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geript | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rip | gebiedende wijs |
| rippe | aanvoegende wijs |
| rippend | onvoltooid, deelwoord |
| ripte | verleden tijd |
| te hebben geript | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geript hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geript hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geript hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geript hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geript hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geript hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geript hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geript hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geript hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geript hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geript hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geript hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geript hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geript hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Engels rip ww "beroven"
Woordfamilie van rippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geript | voltooid deelwoord | rippen |
| geripte | woordvorm | rippen |
| rip | gebiedende wijs | rippen |
| rippe | aanvoegende wijs | rippen |
| rippend | onvoltooid deelwoord | rippen |
| rippende | woordvorm | rippen |
| ript | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rippen |
| ripte | verleden tijd | rippen |
| ripten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rippen zijn vastgelegd.