glippen
werkwoord ˈɣlɪpə(n)Betekenis
- uitglijden over of langs een oppervlak dat glad is door vocht of een ander smeermiddel
- aan de greep ontsnappen
Hoe spreek je glippen uit?
/ˈxlɪpən/
Glippen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| l | land |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van glippen
glippenhele werkwoord — glipteverleden tijd enkelvoud — gliptenverleden tijd meervoud — gegliptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glip | glipte |
| jij | glipt | glipte |
| hij, zij, het | glipt | glipte |
| wij | glippen | glipten |
| jullie | glippen | glipten |
| zij | glippen | glipten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geglipt | verleden tijd, deelwoord |
| geglipt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglipt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glip | gebiedende wijs |
| glippe | aanvoegende wijs |
| glippend | onvoltooid, deelwoord |
| glipte | verleden tijd |
| is geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te glippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geglipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen glippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geglipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geglipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geglipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geglipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geglipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geglipt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglipt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geglipt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal glippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal glippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal glippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geglipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geglipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geglipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou glippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou glippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou glippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geglipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden glippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden glippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden glippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geglipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt glippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geglipt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglipt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglipt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen glippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen glippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen glippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen glippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geglipt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult glippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitglijden, ontglijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Woordfamilie van glippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geglipt | voltooid deelwoord | glippen |
| glip | gebiedende wijs | glippen |
| glippe | aanvoegende wijs | glippen |
| glippend | onvoltooid deelwoord | glippen |
| glippende | woordvorm | glippen |
| glipt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | glippen |
| glipte | verleden tijd | glippen |
| glipten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | glippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glippen zijn vastgelegd.