Naar de inhoud

vastzetten

iets zodanig zetten dat het niet meer bewegen kan

vastzetten

werkwoord ˈvɑ(st)sɛtə(n)

Betekenis

  1. iets zodanig zetten dat het niet meer bewegen kan
  2. geld op een spaarrekening zetten voor een bepaalde tijd waarbij men niet vrijelijk over het geld kan beschikken
  3. iemand in een gevangenis opsluiten

Hoe spreek je vastzetten uit?

/ˈvɑstsɛtən/

Vastzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvɑstsɛtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ɑ bad
s sok
t tak
ɛ bed
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. iets zodanig vastmaken dat het niet meer bewegen kan transitive

Vervoeging van vastzetten

vastzettenhele werkwoord — zette vastverleden tijd enkelvoud — zetten vastverleden tijd meervoud — vastgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet vast zette vast
jij zet vast zette vast
hij, zij, het zet vast zette vast
wij zetten vast zetten vast
jullie zetten vast zetten vast
zij zetten vast zetten vast
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vastgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vastgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vastgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vastgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vastgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vastgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vastgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vastgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vastgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal zetten bijzin, toekomende tijd
vast zou zetten bijzin, voorwaardelijk
vast zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
vast zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen zetten bijzin, toekomende tijd
vast zult zetten bijzin, toekomende tijd
vastgezet verleden tijd, deelwoord
vastgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastzet bijzin, tegenwoordige tijd
vastzette bijzin, verleden tijd
vastzettend onvoltooid, deelwoord
waart vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vastzetten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastzetten bijzin, toekomende tijd
zal zich vastzetten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vastzetten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zet u/je vast, zet je vast gebiedende wijs
zet vast gebiedende wijs
zette vast verleden tijd
zich vastgezet hebben verleden tijd
zich vastzettend onvoltooid, deelwoord
zijn vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastzetten vast zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen je vastzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vastzetten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van vastzetten

Vervoeging van vastzetten

vastzettenhele werkwoord — zette vastverleden tijd enkelvoud — zetten vastverleden tijd meervoud — vastgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet vast zette vast
jij zet vast zette vast
hij, zij, het zet vast zette vast
wij zetten vast zetten vast
jullie zetten vast zetten vast
zij zetten vast zetten vast
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vastgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vastgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vastgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vastgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vastgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vastgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vastgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vastgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vastgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal zetten bijzin, toekomende tijd
vast zou zetten bijzin, voorwaardelijk
vast zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
vast zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen zetten bijzin, toekomende tijd
vast zult zetten bijzin, toekomende tijd
vastgezet verleden tijd, deelwoord
vastgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastzet bijzin, tegenwoordige tijd
vastzette bijzin, verleden tijd
vastzettend onvoltooid, deelwoord
waart vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vastgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vastgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vastzetten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastzetten bijzin, toekomende tijd
zal zich vastzetten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vastzetten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zet u/je vast, zet je vast gebiedende wijs
zet vast gebiedende wijs
zette vast verleden tijd
zich vastgezet hebben verleden tijd
zich vastzettend onvoltooid, deelwoord
zijn vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastzetten vast zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen je vastzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vastzetten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van vast en zetten

Woordfamilie van vastzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vastgezet voltooid deelwoord vastzetten
vastgezette woordvorm vastzetten
vastzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastzetten
vastzette subordinate-clause, verleden tijd vastzetten
vastzettend onvoltooid deelwoord vastzetten
vastzettende woordvorm vastzetten
zet vast gebiedende wijs vastzetten
zette vast verleden tijd vastzetten
zetten vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastzetten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over vastzetten

Hoe spreek je vastzetten uit?
De uitspraak van vastzetten is: /ˈvɑ(st)sɛtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent vastzetten?
Vastzetten is een werkwoord. Het woord betekent: iets zodanig zetten dat het niet meer bewegen kan. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vastzetten?
Je vervoegt vastzetten als volgt: het voltooid deelwoord is vastgezet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastzetten is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. Z 4
  6. E 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastzetten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. Z 5
  6. E 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastzetten in het kort

vastzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vastzetten zijn 95 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vastzetten bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vastzetten: iets zodanig zetten dat het niet meer bewegen kan
Deel vastzetten — standaardnederlands.nl