vastzetten
werkwoord ˈvɑ(st)sɛtə(n)Betekenis
- iets zodanig zetten dat het niet meer bewegen kan
- geld op een spaarrekening zetten voor een bepaalde tijd waarbij men niet vrijelijk over het geld kan beschikken
- iemand in een gevangenis opsluiten
Hoe spreek je vastzetten uit?
/ˈvɑstsɛtən/
Vastzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iets zodanig vastmaken dat het niet meer bewegen kan transitive
Vervoeging van vastzetten
vastzettenhele werkwoord — zette vastverleden tijd enkelvoud — zetten vastverleden tijd meervoud — vastgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet vast | zette vast |
| jij | zet vast | zette vast |
| hij, zij, het | zet vast | zette vast |
| wij | zetten vast | zetten vast |
| jullie | zetten vast | zetten vast |
| zij | zetten vast | zetten vast |
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vastgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vastgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vastgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vastgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vastgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vastgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vastgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vastgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vastgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| vastgezet | verleden tijd, deelwoord |
| vastgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastzette | bijzin, verleden tijd |
| vastzettend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me vastzetten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich vastzetten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vastzetten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zet u/je vast, zet je vast | gebiedende wijs |
| zet vast | gebiedende wijs |
| zette vast | verleden tijd |
| zich vastgezet hebben | verleden tijd |
| zich vastzettend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastzetten vast zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je vastzetten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vastzetten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van vastzetten
Vervoeging van vastzetten
vastzettenhele werkwoord — zette vastverleden tijd enkelvoud — zetten vastverleden tijd meervoud — vastgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet vast | zette vast |
| jij | zet vast | zette vast |
| hij, zij, het | zet vast | zette vast |
| wij | zetten vast | zetten vast |
| jullie | zetten vast | zetten vast |
| zij | zetten vast | zetten vast |
Alle 156 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vastgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vastgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vastgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vastgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vastgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vastgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vastgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vastgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vastgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| vastgezet | verleden tijd, deelwoord |
| vastgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastzette | bijzin, verleden tijd |
| vastzettend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vastgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vastgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vastgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vastgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me vastzetten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich vastzetten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vastzetten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zet u/je vast, zet je vast | gebiedende wijs |
| zet vast | gebiedende wijs |
| zette vast | verleden tijd |
| zich vastgezet hebben | verleden tijd |
| zich vastzettend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vastgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastzetten vast zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je vastzetten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vastzetten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van vast en zetten
Woordfamilie van vastzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vastgezet | voltooid deelwoord | vastzetten |
| vastgezette | woordvorm | vastzetten |
| vastzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastzetten |
| vastzette | subordinate-clause, verleden tijd | vastzetten |
| vastzettend | onvoltooid deelwoord | vastzetten |
| vastzettende | woordvorm | vastzetten |
| zet vast | gebiedende wijs | vastzetten |
| zette vast | verleden tijd | vastzetten |
| zetten vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastzetten zijn vastgelegd.