vastzitten
werkwoordBetekenis
- onbeweeglijk gehouden worden
werkwoord
- gevangen gehouden worden
Vervoeging van vastzitten
vastzittenhele werkwoord — zat vastverleden tijd enkelvoud — zaten vastverleden tijd meervoud — vastgezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit vast | zat vast |
| jij | zit vast | zat vast |
| hij, zij, het | zit vast | zat vast |
| wij | zitten vast | zaten vast |
| jullie | zitten vast | zaten vast |
| zij | zitten vast | zaten vast |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vastgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| vastgezeten | verleden tijd, deelwoord |
| vastgezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastzat | bijzin, verleden tijd |
| vastzaten | bijzin, verleden tijd |
| vastzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastzittend | onvoltooid, deelwoord |
| zal vastgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat vast | verleden tijd |
| zit vast | gebiedende wijs |
| zou vastgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastzitten vast zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vastgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vastzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vastzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vastzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vastzitten vast zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vast en zitten
Woordfamilie van vastzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vastgezeten | voltooid deelwoord | vastzitten |
| vastzat | subordinate-clause, verleden tijd | vastzitten |
| vastzaten | subordinate-clause, verleden tijd | vastzitten |
| vastzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastzitten |
| vastzitte | with-subordinate-clause | vastzitten |
| vastzittend | onvoltooid deelwoord | vastzitten |
| vastzittende | woordvorm | vastzitten |
| zat vast | verleden tijd | vastzitten |
| zaten vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastzitten |
| zit vast | gebiedende wijs | vastzitten |
| zitte vast | woordvorm | vastzitten |
| zitten vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastzitten zijn vastgelegd.