vastvriezen
werkwoordBetekenis
- door ijsvorming zijn beweeglijkheid verliezen
Vervoeging van vastvriezen
vastvriezenhele werkwoord — vroor vastverleden tijd enkelvoud — vroren vastverleden tijd meervoud — vastgevrorenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vries vast | vroor vast |
| jij | vriest vast | vroor vast |
| hij, zij, het | vriest vast | vroor vast |
| wij | vriezen vast | vroren vast |
| jullie | vriezen vast | vroren vast |
| zij | vriezen vast | vroren vast |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn vastgevroren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastvriezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te vriezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen vriezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal vriezen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou vriezen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden vriezen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt vriezen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen vriezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen vriezen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult vriezen | bijzin, toekomende tijd |
| vastgevroren | verleden tijd, deelwoord |
| vastgevroren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgevroren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastvries | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastvriest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastvriezend | onvoltooid, deelwoord |
| vastvroor | bijzin, verleden tijd |
| vastvroren | bijzin, verleden tijd |
| vries vast | gebiedende wijs |
| vroor vast | verleden tijd |
| waart vastgevroren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgevroren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vastgevroren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgevroren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vastgevroren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vastgevroren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vastgevroren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vastgevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastvriezen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vastgevroren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vastgevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vastgevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastvriezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastvriezen vast zou(dt) vriezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastvriezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastvriezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vastgevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastvriezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vastvriezen | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vastvriezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vastvriezen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vastvriezen vast zult/zal vriezen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vast en vriezen
Woordfamilie van vastvriezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vastgevroren | voltooid deelwoord | vastvriezen |
| vastvries | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastvriezen |
| vastvriest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastvriezen |
| vastvrieze | with-subordinate-clause | vastvriezen |
| vastvriezend | onvoltooid deelwoord | vastvriezen |
| vastvriezende | woordvorm | vastvriezen |
| vastvroor | subordinate-clause, verleden tijd | vastvriezen |
| vastvroren | subordinate-clause, verleden tijd | vastvriezen |
| vries vast | gebiedende wijs | vastvriezen |
| vriest vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vastvriezen |
| vrieze vast | woordvorm | vastvriezen |
| vriezen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastvriezen |
| vroor vast | verleden tijd | vastvriezen |
| vroren vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastvriezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastvriezen zijn vastgelegd.