Naar de inhoud

vastvriezen

door ijsvorming zijn beweeglijkheid verliezen

vastvriezen

werkwoord

Betekenis

  1. door ijsvorming zijn beweeglijkheid verliezen

Vervoeging van vastvriezen

vastvriezenhele werkwoord — vroor vastverleden tijd enkelvoud — vroren vastverleden tijd meervoud — vastgevrorenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vries vast vroor vast
jij vriest vast vroor vast
hij, zij, het vriest vast vroor vast
wij vriezen vast vroren vast
jullie vriezen vast vroren vast
zij vriezen vast vroren vast
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn vastgevroren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastvriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te vriezen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen vriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal vriezen bijzin, toekomende tijd
vast zou vriezen bijzin, voorwaardelijk
vast zouden vriezen bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt vriezen bijzin, voorwaardelijk
vast zullen vriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen vriezen bijzin, toekomende tijd
vast zult vriezen bijzin, toekomende tijd
vastgevroren verleden tijd, deelwoord
vastgevroren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgevroren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastvries bijzin, tegenwoordige tijd
vastvriest bijzin, tegenwoordige tijd
vastvriezend onvoltooid, deelwoord
vastvroor bijzin, verleden tijd
vastvroren bijzin, verleden tijd
vries vast gebiedende wijs
vroor vast verleden tijd
waart vastgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgevroren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgevroren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgevroren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgevroren voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal vastgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastvriezen bijzin, toekomende tijd
zijn vastgevroren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastvriezen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastvriezen vast zou(dt) vriezen bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastvriezen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastvriezen bijzin, voorwaardelijk
zullen vastgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastvriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastvriezen bijzin, toekomende tijd
zult vastgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vastvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vastvriezen bijzin, toekomende tijd
zult/zal vastvriezen vast zult/zal vriezen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vast en vriezen

Woordfamilie van vastvriezen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vastgevroren voltooid deelwoord vastvriezen
vastvries subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastvriezen
vastvriest subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastvriezen
vastvrieze with-subordinate-clause vastvriezen
vastvriezend onvoltooid deelwoord vastvriezen
vastvriezende woordvorm vastvriezen
vastvroor subordinate-clause, verleden tijd vastvriezen
vastvroren subordinate-clause, verleden tijd vastvriezen
vries vast gebiedende wijs vastvriezen
vriest vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastvriezen
vrieze vast woordvorm vastvriezen
vriezen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastvriezen
vroor vast verleden tijd vastvriezen
vroren vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastvriezen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastvriezen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastvriezen

Wat is de betekenis van vastvriezen?
Vastvriezen is een werkwoord. De betekenis is: door ijsvorming zijn beweeglijkheid verliezen.
Hoe vervoeg ik vastvriezen?
Zo vervoeg je vastvriezen zo: het voltooid deelwoord is vastgevroren. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastvriezen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. V 4
  6. R 2
  7. I 1
  8. E 1
  9. Z 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastvriezen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. V 4
  6. R 2
  7. I 2
  8. E 1
  9. Z 5
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastvriezen in het kort

vastvriezen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vastvriezen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vastvriezen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vastvriezen: door ijsvorming zijn beweeglijkheid verliezen
Deel vastvriezen — standaardnederlands.nl