trouwen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
- twee personen in de echt verbinden
Vervoeging van trouwen
trouwenhele werkwoord — trouwdeverleden tijd enkelvoud — trouwdenverleden tijd meervoud — getrouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trouw | trouwde |
| jij | trouwt | trouwde |
| hij, zij, het | trouwt | trouwde |
| wij | trouwen | trouwden |
| jullie | trouwen | trouwden |
| zij | trouwen | trouwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getrouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getrouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getrouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getrouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getrouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getrouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getrouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getrouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getrouwd | verleden tijd, deelwoord |
| getrouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getrouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getrouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getrouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getrouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getrouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getrouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te trouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen trouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trouw | gebiedende wijs |
| trouwde | verleden tijd |
| trouwe | aanvoegende wijs |
| trouwend | onvoltooid, deelwoord |
| waart getrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getrouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getrouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen trouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getrouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getrouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult trouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord trouw
Herkomst
In de betekenis van ‘huwen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van trouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trouwde | verleden tijd | trouwen |
| trouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | trouwen |
| trouwend | onvoltooid deelwoord | trouwen |
| trouwende | woordvorm | trouwen |
| trouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | trouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trouwen zijn vastgelegd.