Naar de inhoud

troebleren

verontrusten, verwarren

troebleren

werkwoord

Betekenis

  1. verontrusten, verwarren

Vervoeging van troebleren

troeblerenhele werkwoord — troebleerdeverleden tijd enkelvoud — troebleerdenverleden tijd meervoud — getroebleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik troebleer troebleerde
jij troebleert troebleerde
hij, zij, het troebleert troebleerde
wij troebleren troebleerden
jullie troebleren troebleerden
zij troebleren troebleerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is getroebleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getroebleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getroebleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getroebleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getroebleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getroebleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getroebleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getroebleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getroebleerd verleden tijd, deelwoord
getroebleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getroebleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getroebleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroebleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroebleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroebleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getroebleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getroebleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getroebleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
getroebleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getroebleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getroebleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getroebleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getroebleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getroebleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getroebleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getroebleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroebleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getroebleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te troebleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen troebleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
troebleer gebiedende wijs
troebleerde verleden tijd
troeblere aanvoegende wijs
troeblerend onvoltooid, deelwoord
waart getroebleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getroebleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren getroebleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getroebleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was getroebleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was getroebleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was getroebleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt getroebleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal getroebleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroebleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getroebleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal getroebleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroebleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal troebleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal troebleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal troebleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt getroebleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou getroebleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroebleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroebleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroebleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroebleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroebleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou troebleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou troebleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou troebleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getroebleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getroebleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getroebleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getroebleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getroebleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getroebleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden troebleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden troebleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden troebleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getroebleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getroebleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt troebleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getroebleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getroebleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getroebleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getroebleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getroebleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getroebleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen troebleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen troebleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen troebleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen troebleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getroebleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getroebleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getroebleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult troebleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse troubler (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van troebleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
troebleer gebiedende wijs troebleren
troebleerde verleden tijd troebleren
troebleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon troebleren
troebleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon troebleren
troeblere aanvoegende wijs troebleren
troeblerend onvoltooid deelwoord troebleren
troeblerende woordvorm troebleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van troebleren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over troebleren

Wat is de betekenis van troebleren?
Troebleren is een werkwoord. De betekenis is: verontrusten, verwarren.
Hoe vervoeg ik troebleren?
Zo vervoeg je troebleren zo: de tegenwoordige tijd is troebleer, de verleden tijd is troebleerde en het voltooid deelwoord is getroebleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord troebleren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. E 1
  5. B 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

troebleren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. E 1
  5. B 4
  6. L 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

troebleren in het kort

troebleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van troebleren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort troebleren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

troebleren: verontrusten, verwarren
Deel troebleren — standaardnederlands.nl