aftroeven
werkwoordBetekenis
- door een troef te spelen zich een slag toe-eigenen
- iets beter doen dan iemand anders
- iemands bewering of uitleg met een scherpe tegenwerping neutraliseren
Vervoeging van aftroeven
aftroevenhele werkwoord — troefde afverleden tijd enkelvoud — troefden afverleden tijd meervoud — afgetroefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | troef af | troefde af |
| jij | troeft af | troefde af |
| hij, zij, het | troeft af | troefde af |
| wij | troeven af | troefden af |
| jullie | troeven af | troefden af |
| zij | troeven af | troefden af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te troeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen troeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal troeven | bijzin, toekomende tijd |
| af zou troeven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden troeven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt troeven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen troeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen troeven | bijzin, toekomende tijd |
| af zult troeven | bijzin, toekomende tijd |
| afgetroefd | verleden tijd, deelwoord |
| afgetroefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetroefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftroef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftroefde | bijzin, verleden tijd |
| aftroefden | bijzin, verleden tijd |
| aftroeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftroevend | onvoltooid, deelwoord |
| er is afgetroefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgetroefd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgetroefd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgetroefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgetroefd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgetroefd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgetroefd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgetroefd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgetroefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgetroefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgetroefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgetroefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgetroefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgetroefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgetroefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgetroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetroefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgetroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgetroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgetroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetroefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgetroefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftroeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| troef af | gebiedende wijs |
| troefde af | verleden tijd |
| zal afgetroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgetroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftroeven | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgetroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftroeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftroeven af zou(dt) troeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgetroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftroeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgetroefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftroeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgetroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftroeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftroeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgetroefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aftroeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aftroeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aftroeven af zult/zal troeven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en troeven ww
Woordfamilie van aftroeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgetroefd | voltooid deelwoord | aftroeven |
| afgetroefde | woordvorm | aftroeven |
| aftroef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftroeven |
| aftroefde | subordinate-clause, verleden tijd | aftroeven |
| aftroefden | subordinate-clause, verleden tijd | aftroeven |
| aftroeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftroeven |
| aftroeve | with-subordinate-clause | aftroeven |
| aftroevend | onvoltooid deelwoord | aftroeven |
| aftroevende | woordvorm | aftroeven |
| troef af | gebiedende wijs | aftroeven |
| troefde af | verleden tijd | aftroeven |
| troefden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftroeven |
| troeft af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftroeven |
| troeve af | woordvorm | aftroeven |
| troeven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftroeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftroeven zijn vastgelegd.