Naar de inhoud

tijgen

beschuldigen

tijgen

werkwoord

Betekenis

  1. beschuldigen
  2. tijgen: aantijgen, aantijging, beticht worden
  3. tijgen (tiegen): tocht, teugel
  4. ergens naartoe gaan
  5. aan iets beginnen

Vervoeging van tijgen

tijgenhele werkwoord — teegverleden tijd enkelvoud — togenverleden tijd meervoud — getegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tijg teeg
jij tijgt teeg
hij, zij, het tijgt teeg
wij tijgen togen
jullie tijgen togen
zij tijgen togen
Alle 60 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
getegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getegen verleden tijd, deelwoord
getegen te zullen actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getegen zullen actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getogen verleden tijd, deelwoord
getogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te getegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben getogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te tijgen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
teeg verleden tijd
tijg gebiedende wijs
tijge aanvoegende wijs
tijgend onvoltooid, deelwoord
zal getogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Vervoeging van tijgen

tijgenhele werkwoord — teegverleden tijd enkelvoud — togenverleden tijd meervoud — getegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tijg teeg
jij tijgt teeg
hij, zij, het tijgt teeg
wij tijgen togen
jullie tijgen togen
zij tijgen togen
Alle 60 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
getegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getegen verleden tijd, deelwoord
getegen te zullen actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getegen zullen actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getogen verleden tijd, deelwoord
getogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te getegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben getogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te tijgen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tijg gebiedende wijs
tijge aanvoegende wijs
tijgend onvoltooid, deelwoord
toog verleden tijd
zal getogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van tijgen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getegen voltooid deelwoord tijgen
getogen voltooid deelwoord tijgen
teeg verleden tijd tijgen
tijg gebiedende wijs tijgen
tijge aanvoegende wijs tijgen
tijgend onvoltooid deelwoord tijgen
tijgende woordvorm tijgen
tijgt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tijgen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tijgen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over tijgen

Wat is de betekenis van tijgen?
Tijgen is een werkwoord. De betekenis is: beschuldigen. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik tijgen?
Zo vervoeg je tijgen zo: de tegenwoordige tijd is tijg, de verleden tijd is teeg en het voltooid deelwoord is getegen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tijgen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. I 1
  3. J 4
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tijgen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. I 2
  3. J 4
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tijgen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

tijgen in het kort

tijgen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van tijgen staan er 39 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tijgen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tijgen: beschuldigen
Deel tijgen — standaardnederlands.nl