tijgen
werkwoordBetekenis
- beschuldigen
- tijgen: aantijgen, aantijging, beticht worden
- tijgen (tiegen): tocht, teugel
- ergens naartoe gaan
- aan iets beginnen
Vervoeging van tijgen
tijgenhele werkwoord — teegverleden tijd enkelvoud — togenverleden tijd meervoud — getegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tijg | teeg |
| jij | tijgt | teeg |
| hij, zij, het | tijgt | teeg |
| wij | tijgen | togen |
| jullie | tijgen | togen |
| zij | tijgen | togen |
Alle 60 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getegen | verleden tijd, deelwoord |
| getegen te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getegen zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getogen | verleden tijd, deelwoord |
| getogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te getegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben getogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teeg | verleden tijd |
| tijg | gebiedende wijs |
| tijge | aanvoegende wijs |
| tijgend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Vervoeging van tijgen
tijgenhele werkwoord — teegverleden tijd enkelvoud — togenverleden tijd meervoud — getegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tijg | teeg |
| jij | tijgt | teeg |
| hij, zij, het | tijgt | teeg |
| wij | tijgen | togen |
| jullie | tijgen | togen |
| zij | tijgen | togen |
Alle 60 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getegen | verleden tijd, deelwoord |
| getegen te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getegen zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getogen | verleden tijd, deelwoord |
| getogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te getegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben getogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tijg | gebiedende wijs |
| tijge | aanvoegende wijs |
| tijgend | onvoltooid, deelwoord |
| toog | verleden tijd |
| zal getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van tijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getegen | voltooid deelwoord | tijgen |
| getogen | voltooid deelwoord | tijgen |
| teeg | verleden tijd | tijgen |
| tijg | gebiedende wijs | tijgen |
| tijge | aanvoegende wijs | tijgen |
| tijgend | onvoltooid deelwoord | tijgen |
| tijgende | woordvorm | tijgen |
| tijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tijgen zijn vastgelegd.