toog
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- tapkast
zelfstandig naamwoord — masculine
- ambtskleed voor misdienaars en geestelijken, soutane
- dubbele segmentboog
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| togen | meervoud |
| toogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toogjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van tijgen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van togen
- gebiedende wijs van togen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van togen
Vervoeging van toog
tooghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gewelfde bovenkant, overdekking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1681
Woordfamilie van toog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toogje | verkleinwoord | toog |
| toogjes | verkleinwoord meervoud | toog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toog zijn vastgelegd.