stoken
werkwoordBetekenis
- brandstof aan het vuur toevoegen
- trachten onrust of onenigheid te veroorzaken
- distilleren
Vervoeging van stoken
stokenhele werkwoord — stookteverleden tijd enkelvoud — stooktenverleden tijd meervoud — gestooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stook | stookte |
| jij | stookt | stookte |
| hij, zij, het | stookt | stookte |
| wij | stoken | stookten |
| jullie | stoken | stookten |
| zij | stoken | stookten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestookt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestookt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestookt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestookt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestookt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestookt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestookt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestookt | verleden tijd, deelwoord |
| gestookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stoke | aanvoegende wijs |
| stokend | onvoltooid, deelwoord |
| stook | gebiedende wijs |
| stookte | verleden tijd |
| te hebben gestookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stoken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stoken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stoken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stoken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘opruien’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van stoken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestookt | voltooid deelwoord | stoken |
| stoke | aanvoegende wijs | stoken |
| stokend | onvoltooid deelwoord | stoken |
| stokende | woordvorm | stoken |
| stook | gebiedende wijs | stoken |
| stookt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stoken |
| stookte | verleden tijd | stoken |
| stookten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stoken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoken zijn vastgelegd.