ontbranden
werkwoordBetekenis
- een proces ondergaan waarbij vuurverschijnselen ontstaan, in de brand vliegen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van ontbranden
ontbrandenhele werkwoord — ontbranddeverleden tijd enkelvoud — ontbranddenverleden tijd meervoud — ontbrandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontbrand | ontbrandde |
| jij | ontbrandt | ontbrandde |
| hij, zij, het | ontbrandt | ontbrandde |
| wij | ontbranden | ontbrandden |
| jullie | ontbranden | ontbrandden |
| zij | ontbranden | ontbrandden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontbrand | gebiedende wijs |
| ontbrand | verleden tijd, deelwoord |
| ontbrand te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbrand zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontbrandde | verleden tijd |
| ontbrande | aanvoegende wijs |
| ontbrandend | onvoltooid, deelwoord |
| te ontbranden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontbrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontbrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontbrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontbrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontbrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontbrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontbrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontbrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontbrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontbrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontbrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontbrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontbrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontbrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontbrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontbrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontbrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontbrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontbrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontbrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontbrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontbrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontbrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontbrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontbranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van branden met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontbranden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontbrand | voltooid deelwoord | ontbranden |
| ontbrandde | verleden tijd | ontbranden |
| ontbrandden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontbranden |
| ontbrande | aanvoegende wijs | ontbranden |
| ontbrandend | onvoltooid deelwoord | ontbranden |
| ontbrandende | woordvorm | ontbranden |
| ontbrandt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontbranden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontbranden zijn vastgelegd.