schraag
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /sxraːx/Betekenis
- draagconstructie om een vlak, planken of andere langwerpige voorwerpen te ondersteunen
- tafel of werkblad met een draagconstructie als onder 1.
- vast onderstel van sommige werktuigen
- draagbaar
- vaste ondersteuning
- onder een hoek, schuin
- nauwelijks, schaars
Hoe spreek je schraag uit?
/sxrax/
Schraag bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| r | rood |
| a | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schraagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schraagjes | verkleinwoord, meervoud |
| schragen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schragen
- gebiedende wijs van schragen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schragen
Vervoeging van schraag
schraaghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘draagconstructie’ voor het eerst aangetroffen in 1294
Woordfamilie van schraag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schraagje | verkleinwoord | schraag |
| schraagjes | verkleinwoord meervoud | schraag |
| schraags | woordvorm | schraag |
| schraagst | woordvorm | schraag |
| schraagste | woordvorm | schraag |
| schrager | woordvorm | schraag |
| schragere | woordvorm | schraag |
| schragers | woordvorm | schraag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schraag zijn vastgelegd.