plaag
zelfstandig naamwoord, werkwoord plaxBetekenis
- door God gezonden onheil, ramp
- een wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
Hoe spreek je plaag uit?
/plax/
Plaag bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| a | maan |
| x | acht |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plaagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plaagjes | verkleinwoord, meervoud |
| plagen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
- gebiedende wijs van plagen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
Vervoeging van plaag
plaaghele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn plaga “slag”, “wond”, in de (christelijke) betekenis van ‘(door God gezonden) onheil’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Woordfamilie van plaag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plaagje | verkleinwoord | plaag |
| plaagjes | verkleinwoord meervoud | plaag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plaag zijn vastgelegd.