Naar de inhoud

schoven

in, tot schoven binden

schoven is meer dan één woord

schoven

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. in, tot schoven binden

Vervoeging van schoven

schovenhele werkwoord — schoofdeverleden tijd enkelvoud — schoofdenverleden tijd meervoud — geschoofdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schoof schoofde
jij schooft schoofde
hij, zij, het schooft schoofde
wij schoven schoofden
jullie schoven schoofden
zij schoven schoofden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschoofd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschoofd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschoofd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschoofd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschoofd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschoofd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschoofd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschoofd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschoofd verleden tijd, deelwoord
geschoofd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoofd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoofd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoofd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoofd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoofd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoofd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoofd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoofd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoofd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoofd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schoof gebiedende wijs
schoofde verleden tijd
schove aanvoegende wijs
schovend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschoofd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schoven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schoven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schoven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van schuiven

Vervoeging van schoven

schovenhele werkwoord — schoofdeverleden tijd enkelvoud — schoofdenverleden tijd meervoud — geschoofdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schoof schoofde
jij schooft schoofde
hij, zij, het schooft schoofde
wij schoven schoofden
jullie schoven schoofden
zij schoven schoofden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschoofd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschoofd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschoofd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschoofd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschoofd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschoofd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschoofd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschoofd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschoofd verleden tijd, deelwoord
geschoofd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoofd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoofd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoofd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoofd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoofd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoofd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoofd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoofd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoofd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoofd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schoof gebiedende wijs
schoofde verleden tijd
schove aanvoegende wijs
schovend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschoofd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schoven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schoven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschoofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschoofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschoofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschoofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschoofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschoofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschoofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schoven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schoven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschoofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschoofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschoofd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schoven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord schoof

Woordfamilie van schoven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschoofd voltooid deelwoord schoven
geschoofde woordvorm schoven
schoofde verleden tijd schoven
schoofden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schoven
schooft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schoven
schove aanvoegende wijs schoven
schovend onvoltooid deelwoord schoven
schovende woordvorm schoven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over schoven

Wat is de betekenis van schoven?
Schoven is een werkwoord. De betekenis is: in, tot schoven binden.
Hoe vervoeg ik schoven?
Zo vervoeg je schoven zo: de tegenwoordige tijd is schoof, de verleden tijd is schoofde en het voltooid deelwoord is geschoofd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schoven is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. V 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schoven levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 124 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. V 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 18 zonder bonus
  9. 124 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

schoven telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

schoven in het kort

schoven is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van schoven staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort schoven bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

schoven: in, tot schoven binden
Deel schoven — standaardnederlands.nl