warren
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈʋɑrən/Betekenis
- in de war brengen
- gekaakte haring in zout rondwentelen met een leutel in de warrebak
Hoe spreek je warren uit?
/ˈwɑrən/
Warren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van warren
warrenhele werkwoord — wardeverleden tijd enkelvoud — wardenverleden tijd meervoud — gewardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | war | warde |
| jij | wart | warde |
| hij, zij, het | wart | warde |
| wij | warren | warden |
| jullie | warren | warden |
| zij | warren | warden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geward | verleden tijd, deelwoord |
| geward te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geward zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geward | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geward | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geward | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geward | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geward | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geward | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geward | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geward | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geward | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geward | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geward | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geward | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geward | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geward | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geward | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geward | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te warren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen warren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| war | gebiedende wijs |
| warde | verleden tijd |
| warre | aanvoegende wijs |
| warrend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geward hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geward hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geward hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal warren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal warren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal warren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geward hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geward hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geward hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou warren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou warren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou warren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geward hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geward hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geward hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden warren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden warren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden warren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geward hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt warren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geward hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geward hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geward hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen warren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen warren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen warren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen warren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geward hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult warren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord war
Woordfamilie van warren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geward | voltooid deelwoord | warren |
| gewarde | woordvorm | warren |
| warde | verleden tijd | warren |
| warden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | warren |
| warre | aanvoegende wijs | warren |
| warrend | onvoltooid deelwoord | warren |
| warrende | woordvorm | warren |
| wart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | warren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van warren zijn vastgelegd.