marren
werkwoord ˈmɑrə(n)Betekenis
- niet voortgaan, stilstaan, treuzelen
- tegenhouden, belemmeren
- wachten, afwachten
- binden, tegenhouden, belemmeren
- op dezelfde plaats blijven, wachten
Hoe spreek je marren uit?
/ˈmɑrən/
Marren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van marren
marrenhele werkwoord — mardeverleden tijd enkelvoud — mardenverleden tijd meervoud — gemardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mar | marde |
| jij | mart | marde |
| hij, zij, het | mart | marde |
| wij | marren | marden |
| jullie | marren | marden |
| zij | marren | marden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemard | verleden tijd, deelwoord |
| gemard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mar | gebiedende wijs |
| marde | verleden tijd |
| marre | aanvoegende wijs |
| marrend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te marren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen marren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal marren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal marren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal marren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou marren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou marren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou marren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden marren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden marren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden marren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt marren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen marren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen marren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen marren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen marren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult marren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands marren, merren; cognaat met Engels mar ww "verpesten, bederven" en IJslands merja "verpletteren"
Woordfamilie van marren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemard | voltooid deelwoord | marren |
| gemarde | woordvorm | marren |
| mar | gebiedende wijs | marren |
| marde | verleden tijd | marren |
| marden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | marren |
| marre | aanvoegende wijs | marren |
| marrend | onvoltooid deelwoord | marren |
| marrende | woordvorm | marren |
| mart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | marren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marren zijn vastgelegd.