rook
zelfstandig naamwoord, werkwoord /roːk/Betekenis
- een zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt
- hooiopper, hoop hooi, gemaaide klaver of vlas
- (Hollands) de grotere hooistapel waartoe een aantal oppers bijeengevoegd wordt
- roek.
Hoe spreek je rook uit?
/rok/
Rook bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| o | boot |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt no-plural
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
- gebiedende wijs van roken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
Vervoeging van rook
rookhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] rook | canonical |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van ruiken
Vervoeging van rook
rookhele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van rieken
Vervoeging van rook
rookhele werkwoord
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- grotere hooistapel waartoe een aantal oppers bijeengevoegd wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roken | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
- gebiedende wijs van roken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roken
Vervoeging van rook
rookhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] rook | canonical |