riem
zelfstandig naamwoord, werkwoord rimBetekenis
- band van leer of een vergelijkbaar sterk en soepel materiaal
- steel met een blad, bestemd om een vaartuig voort te bewegen door het blad in het water te steken en het weg te duwen
- hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
- grootverpakking met tiental pakjes sigaretten. Tien pakjes met 20 sigaretten is een gangbare hoeveelheid, maar andere aantallen zijn ook mogelijk.
Hoe spreek je riem uit?
/rim/
Riem bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| i | riet |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — masculine
- steel zn [1] met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen door het blad in het water te steken en een duwende beweging te maken
- grootverpakking met tiental pakjes sigaretten Tien pakjes met 20 sigaretten is een gangbare hoeveelheid, maar andere aantallen zijn ook mogelijk.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| riemen | meervoud |
| riempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| riempjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van riemen
- gebiedende wijs van riemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van riemen
Vervoeging van riem
riemhele werkwoord
Herkomst
[1] erfwoord via Middelnederlands rieme van Oudnederlands riemo als toenaam aangetroffen rond 1200
Woordfamilie van riem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| riemen | meervoud | riem |
| geriemd | woordvorm | riemen |
| geriemde | woordvorm | riemen |
| riemde | woordvorm | riemen |
| riemden | woordvorm | riemen |
| rieme | woordvorm | riemen |
| riemend | woordvorm | riemen |
| riemende | woordvorm | riemen |
| riemt | woordvorm | riemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van riem zijn vastgelegd.